web2 logo

Artikel Links Notities

Environment variabelen in Linux

In een Bash shell heb je de beschikking over environment variabelen die voor alle programma's en opdrachten beschikbaar zijn. Deze variabelen kunnen in configuratiebestanden zijn ingesteld, maar ze kunnen ook rechtstreeks in de shell worden ingesteld of aangepast. De environment variabelen kunnen worden onderverdeeld in 3 typen: lokaal, gebruiker en syteem.

Lokale environment variabelen

Dit zijn variabelen die alleen in de huidige shell sessie bestaan. Ze staan niet in een configuratiebestand, maar worden in de sessie zelf aangemaakt.

Gebruiker environment variabelen

Dit zijn variabelen die alleen gelden voor de ingelogde gebruiker. Deze variabelen staan in de configuratiebestanden in de home directory van die gebruiker. Het gaat om de volgende bestanden: .bashrc (voor lokale inlog), .bash_profile (voor inlog op afstand via ssh), .bash_login (voor inlog op afstand via ssh) en .profile (voor inlog op afstand via ssh). Het zijn verborgen bestanden, de bestandsnamen beginnen met een punt.

Systeem environment variabelen

Dit zijn variabelen die voor alle gebruikers gelden, ze worden geladen vanuit de volgende configuratiebestanden: /etc/environment (voor elke gebruiker, zowel lokaal als via ssh), /etc/profile (voor elke inlog via ssh), /etc/profile.d/ (voor elke inlog via ssh) en /etc/bash.bashrc (voor elke lokale gebruiker).

Alle environment variabelen zien

Om alle huidige environment variabelen met hun waarden te zien kun je het volgende intypen: env

Aanpassen van lokale environment variabelen

Een lokale environment variabele kun je als volgt aanpassen: var=waarde of: export var=waarde Voorbeeld: $ echtwaar='Linux is geweldig!' $ echo $echtwaar Linux is geweldig! Je kunt een variabele ook weer verwijderen met unset: unset var Je kunt een variabele ook leegmaken door een lege tekst toe te wijzen: var='' Je kunt ook een shell openen zonder environment variabelen: env –i bash Zodra deze shell weer gesloten wordt zijn de environment variabelen weer terug.

Aanpassen van gebruiker en systeem environment variabelen

Het aanpassen van gebruiker en systeem environment variabelen moet via de configuratie bestanden. Om een variabele toe te voegen, gebruik export in het configuratie bestand: export var=waarde Om de aanpassing in werking te laten treden, moet je het aangepaste configuratie bestand 'sourcen': source .bashrc

$PATH aanpassen

Als je een map in je home directory hebt met scripts. bijvoorbeeld 'mijnscripts' en je wilt dat die vanuit elke map waar je een shell opent beschikbaar is, dan kun je de $PATH variabele uitbreiden met deze map, door de volgende regel toe te voegen in .bashrc: export PATH=$PATH:~/mijnscripts Hierbij is het belangrijk dat je $PATH uitbreid en niet vervangt, anders zijn de programma's in de oorspronkelijke $PATH niet meer te vinden.

naar boven

term zoeken

Notitieruimte